Biotechnologie.net :: Woordenlijst

Woordenlijst

Agrobacterium tumefaciens


deze bacterie die een ziekteverwekker is bij planten, beschikt over de mogelijkheid om een stukje van haar eigen erfelijke informatie in te bouwen in het planten-DNA. Door deze bacterie ditzelfde te laten doen met het DNA dat we willen inbouwen in een plant, is genetische transformatie bij planten mogelijk.

Antibioticum


letterlijk: tegen wat leeft. De eerste antibiotica werden ontwikkeld uit schimmels (bv. penicilline, streptomycine). Het zijn stoffen die bacteriën doden en zodoende als medicijn worden gebruikt. Bij genetische transformatie van planten worden antibiotica soms gebruikt om een onderscheid te maken tussen getransformeerde cellen (bezitten een antibioticumresistentiegen en overleven het toevoegen van het overeenkomstige antibioticum) en niet-getransformeerde cellen (bezitten geen resistentiegen en worden gedood door aanwezige antibiotica).

Antigenen


lichaamsvreemde stoffen die door het afweer- of immuunsysteem herkend worden.

Antilichamen


eiwitten die door het immuunsysteem worden aangemaakt om lichaamsvreemde stoffen (antigenen) te verwijderen of te vernietigen.

Antisense


antisense RNA (of DNA) is een enkele streng nucleïnezuren (RNA of DNA) complementair met een coderend mRNA (sense). De complementaire strengen binden met elkaar, waardoor de werking van het mRNA geblokkeerd wordt en er geen eiwitten meer worden gevormd.

Bacillus thuringiensis (Bt)


deze bacterie komt voor in de natuur en scheidt eiwitkristallen uit die toxisch zijn voor een aantal insecten (vooral rupsen). Bt wordt gebruikt als biologisch pesticide. De genetische eigenschap om het toxine te maken, werd via genetische modificatie ook ingebracht in planten.

Bacteriën


ééncellige micro-organismen; slechts een klein deel van deze organismen is ziekteverwekkend.

Biodiversiteit


verscheidenheid aan organismen, die voorkomen in de natuur. Biodiversiteit in de context van biotechnologie betekent ook de aanwezigheid van een grote variatie aan genetische kenmerken (bv. variëteiten) van een soort.

Biotechnologie


de toepassing van biologische mechanismen in productieprocessen. Meer specifiek is de biotechnologie een multidisciplinaire wetenschap en technologie, die vooral steunt op de in-vitrocultuur en op gerichte genetische modificatie van microbiële plantaardige of dierlijke systemen, met het oog op het verkrijgen van nuttige producten of effecten.

Blots


letterlijk: vlekken. Dit is een techniek die gebruikt wordt om bepaalde fragmenten terug te vinden na gel-elektroforese van DNA (Southern blot)-, RNA (Northern blot)- of eiwit (Western blot)-fragmenten. DNA, RNA of eiwit wordt getransfereerd naar een membraan; waar vervolgens via DNA-hybridisatie (probes) of antilichamen (bij eiwitten) de fragmenten worden opgespoord.

Celfusie


de fusie van twee cellen resulterend in een nieuwe cel met het genetisch materiaal van de oorspronkelijke twee cellen. Elektroporatie is één van de technieken die hiervoor kan worden gebruikt.

Celkern


microscopisch zichtbaar celdeeltje, dat omgeven wordt door een membraan en dat chromosomen bevat.

Chromosoom


kort staafje bestaande uit eiwitten en zeer dicht op elkaar gewonden DNA.

DNA


?desoxyribonucleïnezuur?, een scheikundige stof die de drager is van de erfelijke informatie. DNA bestaat uit twee strengen die elkaars spiegelbeeld zijn. Het DNA is voornamelijk aanwezig in elke celkern.

(DNA-)hybridisatie


het vormen van een dubbele helix uit twee enkelstrengige DNA-fragmenten. Dit is enkel mogelijk wanneer de strengen complementair zijn.

(DNA-)ligase


enzym dat bepaalde stukjes DNA aan elkaar hangt.

(DNA-)probe


enkelstrengig stukje DNA dat aan een radioactieve kleur- of fluorescentiemerker wordt gebonden en vervolgens gebruikt wordt in een hybridisatie-experiment, om complementaire stukjes DNA op te sporen.

(DNA-)sequencing


het bepalen van de basenvolgorde in een DNA-streng.

Eiwit


zie proteïne

Elektroporatie


door een elektrische schok worden gaten in het celmembraan geslagen, hierdoor kan DNA in de cel worden gelekt. Dit is een mogelijkheid om cellen genetisch te transformeren.

Enzym


eiwitten die de scheikundige reacties in de cel op gang brengen.[/h3]

Faag


een virus dat op een bacterie parasiteert, is een bacteriofaag (letterlijk: bacterie-eter) of kortweg faag. Een faag bestaat uit DNA met een eiwitomhulsel. Een faag dwingt een bacterie faag-DNA en faag-proteïnen te maken. Soms integreert het faag-DNA zich in het DNA van de bacterie. Op deze manier wordt genetisch materiaal overgedragen van een virus naar een bacterie. Fagen kunnen worden gebruikt om stukjes DNA te klonen. Fagen zijn zo vectormoleculen.

Gel-elektroforese


in een gel scheiden van moleculen (bv. DNA-fragmenten) op basis van hun grootte, door migratie van de moleculen in een elektrisch veld (kleine moleculen migreren sneller door de gel). Veel gebruikte geltypes zijn agarose en polyacrylamide (PAGE) gels.

Gen


genen zijn niet enkel bedoeld om aan nakomelingen door te geven, ze zijn ook de handleiding van elk organisme. Een gen of meerdere genen samen dragen de informatie van een erfelijk kenmerk, een gen zorgt voor de bouw van een bepaald eiwit en vertelt zo aan de cellen wat ze in bepaalde omstandigheden moeten doen.

Genenbanken


collectie van genenklonen, die al het DNA bevatten van een bepaald organisme.

Genenkanon


microscopische goud- of wolframbolletjes met DNA bekleed, kunnen met een genenkanon onder hoge druk in een cel worden geschoten. DNA kan zo in het DNA van de cel worden opgenomen. Dit is een mogelijke techniek om genetische transformatie te realiseren.

Genetica


tak van de biologie die de erfelijke biologische kenmerken van de levende organismen en de wijze waarop ze worden overgedragen, bestudeert.

Genetic engineering


algemene term voor het gebruik van recombinant-DNA-technieken.

Genetische informatie


informatie over een bepaald erfelijk kenmerk, dat vervat ligt in de moleculaire structuur van de genen; aan de hand van deze informatie kunnen de genen de eiwitsynthese sturen.

Genetische modificatie


de gerichte wijziging van de structuur van één of meer genen in een levend organisme met behulp van technieken van de moleculaire biologie.

Genetische vingerafdruk


in het DNA gaat men op zoek naar variabele DNA-stukken, die net als echte vingerafdrukken voor elk individu anders zijn en die voorkomen in elke cel.

Genome project


een genoom project heeft tot doel de exacte genetische structuur van een organisme te bepalen door de volledige DNA-sequentie te zoeken. Voor de karakterisering van het menselijk genoom werd het ?Human Genome Project? (afgekort HUGO) door een wereldwijde samenwerking tussen laboratoria opgestart.

Genexpressie


de mate van het tot uiting komen van de genetische informatie.

Genoom


het geheel van de genen in een organisme.

Gentherapie


behandeling van ziekten door in te grijpen op de zieke genen in de cellen van de patiënt.

GMO of GGO


genetisch gemodificeerd organisme, een organisme waarvan de structuur van één of meerdere genen gewijzigd is door de techniek van genetische modificatie (zie genetische modificatie).

Helix


twee om elkaar gewonden strengen vormen een dubbel helix. Het DNA ziet eruit als een wenteltrap waarbij basenparen door waterstofbruggen aan elkaar gekoppeld de treden vormen.

Hybride


bij planten is een hybride voornamelijk een combinatie van inteeltlijnen waarvan het heterosiseffect wordt geëxploiteerd (hiermee bedoelt men dat de combinatie van twee inteeltlijnen opbrengstverhogend werkt).

Insuline


eiwithormoon dat in de pancreas wordt uitgescheiden en noodzakelijk is voor de verwerking van suikers bij zoogdieren (mensen met suikerziekte of diabetes hebben een tekort aan insuline).

In-vitro


betekent letterlijk ?in glas?, en slaat op het kweken van organismen of cellen in proefbuizen en ander glaswerk op een steriele manier.

In vivo


een levend systeem (tegenstellend gebruikt t.o.v. in-vitro).

Klonen


het doen ontstaan van een organisme of cel, uit een levend organisme of een cel, met identieke genetische informatie.

Moleculaire biologie


tak van de biologie die het metabolisme in de organismen op moleculaire schaal bestudeert.

DNA merker


stukje DNA dat met de eigenschap mee wordt overgedragen in kruisingen. Hij is zodanig gekoppeld met je eigenschap dat zijn aanwezigheid voldoende is om te voorspellen of je plant de eigenschap (bv. resistentie) wel of niet heeft.

Mutatie


een wijziging in het DNA die in de natuur voorkomt, maar ook op kunstmatige wijze, bv. via bestraling, kan geïnduceerd worden. Mutaties worden doorgegeven van generatie op generatie. De biologische evolutie is toe te schrijven aan mutaties.

mRNA


messenger- of boodschapper-RNA, brengt de genetische informatie van het DNA als een kopie over naar het ribosoom buiten de celkern.

Novel foods


een groep voedingsmiddelen en ingrediënten die in vorm en omgang niet eerder zijn gebruikt en onder andere met behulp van nieuwe technologische technieken - waaronder bv. genetische modificatie - verkregen zijn.

Nucleotiden


slechts vier verschillende nucleotiden - adenine (A), cytosine (C), guanine (G) en thymine (T) - bepalen de genetische code. Deze vier basen zijn chemische stoffen die door een opeenvolging (bv. AATCGTAGC) een taal vormen die alle genetische informatie in zich draagt. Eén gen bestaat al gauw uit een duizendtal ?letters?.

Oligonucleotide


dit zijn korte DNA- (of RNA-) moleculen, meestal korter dan 100 basen.

PCR


?Polymerase Chain Reaction?, techniek die het mogelijk maakt DNA-fragmenten te vermenigvuldigen.

Proteïne


ander woord voor eiwit, een stof die uit basiselementen (aminozuren) opgebouwd is en die instaat voor het vervullen van de functies in de levende cel. De genen bepalen rechtstreeks de structuur van de eiwitten. Elk gen codeert voor een eiwit.

Plasmide


een stukje DNA dat in een cel afzonderlijk kan bestaan en zichzelf kan vermenigvuldigen. Plasmiden komen voor in micro-organismen. Het plasmide van Agrobacterium tumefaciens wordt gebruikt bij de genetische modificatie van planten.

Post-translationele wijzigingen


algemene term voor de veranderingen die een eiwit ondergaat na zijn initiële vorming.

Recombinant-DNA-technologie


omvat de technieken om genen te isoleren, te identificeren, te karakteriseren, te klonen en te gebruiken om genetisch te transformeren.

Recombinante organismen


(zie GMO)

Resistent


niet vatbaar voor bepaalde ziekten, insecten, ?

Restrictie-enzym


deze enzymen zijn in staat het DNA te ?knippen? in specifieke fragmenten.

RNA


ribonucleïnezuur (acid), vormt een afdruk van het DNA (de base thymine is vervangen door uracil). Zie ook mRNA en tRNA.

tRNA


transport-RNA, voert de juiste aminozuren aan naar het mRNA voor de vorming van de eiwitten.

Transgeen organisme


zie GMO

Vector


DNA-segment dat toelaat andere DNA-fragmenten te klonen. Een plasmide kan een vector zijn.

Weefselkweek


het kweken van weefsels (ook cellen) buiten het organisme in steriele omstandigheden (zie ook in-vitro).