Bij genetische modificatie van planten wordt er in het DNA van de plant een verandering aangebracht. Er bestaan verschillende technieken om nieuw DNA in planten binnen te brengen.
Een eerste techniek is elektroporatie. Via een elektrische schok wordt DNA in enkele plantencellen gebracht. Het DNA wordt vervolgens opgenomen in het DNA of het genoom van die plantencel. Uit deze enkele transgene cellen wordt dan een volledige transgene plant gekweekt.
Een andere mechanische manier maakt gebruik van het genenkanon. Microscopisch kleine goud- of wolframdeeltjes bekleed met DNA worden afgevuurd op de plantencellen. De partikels doorboren de celwand waarna het DNA ook hier in het genoom van de plantencel moet worden opgenomen.
Een andere methode werd op het einde van de jaren ‘70 in Gent ontwikkeld door Jozef Schell en Marc van Montagu, namelijk de gentransfer via Agrobacterium tumefaciens. Deze bodembacterie veroorzaakt bij planten tumorgroei. De bacterie is in staat een gedeelte (T-DNA) van haar plasmide (Ti-plasmide) in de plant binnen te brengen en het DNA te laten inbouwen in het plantengenoom. Op deze manier wordt de plant aangezet tot de productie van voedingsstoffen voor de bacteriën. Door de bacteriële genetische informatie op de plasmide te vervangen door ander DNA, wordt tumorgroei verhinderd en wordt de bacterie een instrument voor genetische modificatie. De bacterie zal met de gewijzigde genetische informatie nieuwe eigenschappen in de plant binnenbrengen.

Illustratie afkomstig van
VIB